Goedemorgen! Gisteren mocht ik namens het RGOc dit keer weer aansluiten bij een Symposium. Een symposium vergelijkbaar met hetgeen ik vorig jaar bezocht en een zekere overlap met wat ik eerder had gezien was te vinden.
Over geld
In ieder geval betaalt het RGOc ditmaal voor de reiskosten, dus maak je niet druk dat ik hier failliet aan ga. Al krijg ik er verder niets voor: niet voor aanwezig zijn, noch voor het tikken. Op deze webpagina vraag ik in zijn algemeenheid donaties, maar ik verkoop geen product en leg mij hierdoor ook niet vast op zekere prestatieafspraken. Alle genoemde sprekers zijn gemaild met de inhoud van dit blog - na publicatie. Gezien de omvang en tijdspanne waarin dit gebeurt is dat realistisch.
Ik doe wel tof met het kunnen kopen van een droger zodra daar de nood voor is, maar dat is eerder omdat ik goed bemiddeld ben en direct kan lenen, dan omdat mijn bankrekeningen nu overlopen van de centjes. Aan het eind van de maand schraap ik alles weer richting het hoekje zakgeld dat is overgebleven en kan ik net nog een broodje betalen op het station. Dus dat is wel het geval. Keihard werken is kortom vooral leuk voor je zelfbeeld. Het is nog steeds niet zo dat je door harder of meer te werken direct in financieel geld rijker wordt. Wel heeft het leven allerlei mooie secundaire voordelen als je het deelt met soortgenoten in welke hoedanigheid dan ook. Zoals heen en weer rijden voor het RGOc.
Motivatie
Nu is het verslag maken vooral voor mijzelf: ik wil kunnen behouden/onthouden waarvoor ik de hele dag in mijn agenda heb ingeruimd. En dat mag meer zijn dan alleen de vibe van hele slimme mensen die wel onderwezen verhaal deden.
Hoewel ik ruim op tijd was vertrokken om 06:30 vanaf mijn huisje in Zutphen, behaagde het de NS om mijn trein vooral iets later te laten gaan, en kwam ik zodoende naar mijn perceptie 'laat'. Ik heb het aangezien ik toch 2 uur onderweg ben, ruim door kunnen mailen voor aankomst, dus men wist al dat ik later zou zijn. Ik heb desondanks alleen de koffie vooraf en het socializen tussen 9:00 en 9:30 'gemist' - al is dat niet de kern van waar ik voor kom, eerlijk gezegd. Het schijnt wel heel waardevol te zijn om te netwerken, maar ik doe maar wat joh. Ik heb geen idee. Ik ben niet afhankelijk van deze mensen en ik heb niet de behoefte mij nog eindeloos naar nieuwe normen te voegen. En daarbij word ik in mijn functie als Cliëntvertegenwoordiger - vooral betaald om lekker mezelf te zijn, en niet als wetenschappelijk onderricht persoon tenslotte. Al helpt het als ik precies genoeg van de methodiek snap om niet al te veel domme vragen te hoeven stellen.
Carrière
Maar het eindeloos bespreken van een carrière, verzandt in mijn geval al snel in de opsomming hoe ik uiteindelijk aan een kwart eeuw gestapeld ongeluk en onhandige leefstijlkeuzes, een positieve draai heb weten te geven door vooral geen domme dingen meer te doen. En wat ik leer op deze symposia is dat de mensen die mij dat allemaal eerder wilden bijbrengen, dat echt - en heus - met de beste intenties ooit hebben geprobeerd. Toch kan ik een ieder afraden om de collegebanken te verruilen voor een lekker jaartje of 5-6 intramuraal bij de georganiseerde GGZ. Aan de binnenkant van de muren en als je het moet ondergaan, is het helemaal niet zo leuk als wanneer je achteraf kan constateren dat je het godzijdank overleefd hebt - want dat is ook nog geen garantie. Enfin, ik heb weer minutieus verslag geprobeerd te doen van wat ik allemaal heb opgevangen daar deze dag. Dankzij een vriendelijk/welwillend persoon bij de balie, kon ik mijn rugzakje met telefoon laten laden in de pauzes, zodat ik alles ook kon vastleggen. Ik heb sinds enige tijd een apart Werkprofiel ingericht op mijn Google Workspace domein, en daarmee verbruikt het apparaatje alsnog wat extra stroom lijkt het, althans, hij gaat niet de hele dag mee als ik ook nog opnames maak. Gelukkig was dit een goede oplossing. Ik zal nog eens kijken of ik het stroomverbruik kan tweaken.
Het geheel werd deze dag aan elkaar gepraat door Richard Oude Voshaar, welke ik in de pauze nog eventjes kort mocht spreken, en die tussendoor wat in de context gepast grappige opmerkingen maakte.
Hier volgt een verslag dat ik met digitale middelen heb vastgelegd en voornamelijk geautomatiseerd met Gemini 3.1 Pro heb laten uitwerken. Al was ik met 3.0 waarschijnlijk net zo ver gekomen, het is leuk dat ik deze versie update toevallig ook van gisteren, nog net even kan noemen.
Ik heb geprobeerd binnen de voorgenomen snelheid van verwerken, zo goed mogelijk recht te doen aan de verslaglegging - maar dit typeert als 'haastwerk' in verhouding tot wat er besproken en in decennia soms wel onderzocht is. Mochten er dus onvolkomenheden in de tekst zijn geslopen, nodig ik u vooral uit contact op te nemen en mij te corrigeren of vragen om verbetering.
Anna Freud, Hans Keilson en de traumatisering van oorlogskinderen
Spreker: Dr. G. Breeuwsma
De impact van oorlog op de kindertijd De lezing start met de freudiaanse opvatting dat de kindertijd een verzameling traumatische ervaringen is die de volwassenheid bepaalt. Auteur Marguerite Duras trok een parallel tussen de kindertijd en oorlog: beide overkomen je en moet je lijdzaam ondergaan, zonder de mogelijkheid je ertegen te verweren. Hoewel de rechten van het kind bescherming tegen oorlog centraal stellen, worden deze in conflictgebieden stelselmatig geschonden. Organisaties zoals War Child proberen hier met psychosociale hulp op in te spelen, omdat minimaal één op de vijf kinderen langdurig psychische klachten overhoudt aan oorlogservaringen.
Intergenerationele overdracht en de naoorlogse zwijgcultuur Trauma beperkt zich niet tot de eerste generatie; het wordt doorgegeven. Kinderen herinneren zich vaak niet de oorlogsgebeurtenissen zelf, maar wel de angst van hun ouders. Auteur Arnon Grunberg is hier een voorbeeld van; hij stelt dat zijn schrijverschap volledig in dienst staat van het voortzetten en verwerken van het trauma van zijn moeder (die Auschwitz en Mauthausen overleefde).

Na de Tweede Wereldoorlog was er voor het leed van kinderen geen ruimte. Er heerste een zwijgcultuur en de focus lag op de wederopbouw en verzetshelden. Oud-politicus Ed van Thijn ervoer dit toen hem later als volwassene de mond werd gesnoerd over de oorlog met het argument: "Je was nog maar een kind."
Historische inzichten: Anna Freud en Hans Keilson Breeuwsma behandelde twee pioniers die wél oog hadden voor oorlogskinderen:
- Anna Freud: Vluchtte naar Londen en zette daar 'War Nurseries' op. Ze hechtte groot belang aan vervangende ouderfiguren (zoals de tuinman of portier) om veilige hechting te stimuleren. Na de oorlog observeerde zij een groep van zes weeskinderen uit concentratiekamp Theresienstadt. Ze ontdekte de enorme kracht van peer attachment: de kinderen fungeerden als elkaars hechtingsfiguren en vertoonden sterke regressie wanneer de groep werd gescheiden. Deze horizontale hechting bleek een krachtige beschermende factor voor hun latere (succesvolle) ontwikkeling.
- Hans Keilson: Een Duitse psychiater in Nederland die zich na de oorlog over weeskinderen ontfermde. Hij definieerde trauma niet als één gebeurtenis, maar als een sequentiële reeks:
- De dreiging vooraf (bijv. de Jodenster, razzia's).
- De feitelijke gebeurtenis (kamp/onderduik).
- De naoorlogse opvang. Keilson stelde dat juist die derde fase – hoe men na de oorlog met de getraumatiseerde omgaat – vaak het meest schadelijk is. Een goede, veilige vroege kindertijd (vóór de oorlog) bleek de belangrijkste buffer te zijn om dit te doorstaan.

De verschuiving in perceptie en de huidige realiteit Pas na de Vietnamoorlog (en de introductie van PTSS) veranderde de blik op trauma en kwam er ruimte voor de slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. Schrijvers zoals Jona Oberski (Kinderjaren) en Gerhard Durlacher (Strepen aan de hemel) gaven het oorlogskind definitief een stem in het publieke debat.
Ondanks deze toegenomen theoretische kennis, sloot Breeuwsma kritisch af naar het heden: de opvang van vluchtelingenkinderen in Nederland in het afgelopen decennium vertoont sterke, schadelijke gelijkenissen met de falende naoorlogse opvang van toen. De structurele lessen zijn in de praktijk nog onvoldoende geïmplementeerd.
Q&A: Oorlog als spel Op een vraag uit het publiek over de fascinatie van kinderen voor oorlog(sgames), reageerde Breeuwsma dat een "flinke portie oorlog" in spelvorm een normale ontwikkelingsbehoefte is. Hij bekritiseerde echter de commerciële perversie hiervan, zoals niet van echt te onderscheiden speelgoedwapens en extreem gewelddadige, hyperrealistische videogames waarin bijvoorbeeld baby's worden vermoord.
Ouder worden met je lijf: Psychologische behandeling van aanhoudende lichamelijke klachten op latere leeftijd
Spreker: Dr. D. Hanssen
De confrontatie met het lichaam gedurende de levensloop Gedurende ons leven komen we ons lichaam op verschillende manieren tegen. Dit begint bij de normale fysieke ontwikkeling en afbraak, maar kan ook abrupt gebeuren door lichamelijk letsel, ongelukken of de moeizame relatie met leefstijl en ouder worden. Daarnaast is er de impact van acute somatische ziekte, waarbij iemand plotseling van een actief persoon in een patiënt verandert en geconfronteerd wordt met kwetsbaarheid. Op nog latere leeftijd speelt vaak multimorbiditeit: het tegelijkertijd voorkomen van meerdere aandoeningen (zoals depressie, reuma en diabetes) die elkaars behandeling compliceren en leiden tot algehele fysieke kwetsbaarheid (frailty).
Gezien de dubbele vergrijzing – er komen niet alleen meer ouderen, de ouderen worden zelf ook steeds ouder – zal iedere zorgprofessional, ongeacht het specialisme, steeds vaker te maken krijgen met deze doelgroep.
Terminologie: Van SOLK naar ALK en Somatisch-Symptoomstoornis Een aanzienlijk deel van de ouderen in de zorg kampt met Aanhoudende Lichamelijke Klachten (ALK). Dit is een overkoepelende term voor somatische klachten die maandenlang aanhouden, ongeacht de oorzaak. Dit kan in de context zijn van een somatische ziekte, een functioneel syndroom, een psychiatrische aandoening, of klachten waarvoor geen medische verklaring is gevonden.

Voorheen werd vaak de term SOLK (Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten) gebruikt. Deze term is grotendeels verlaten omdat het stigmatiserend werkt en zich focust op wat een klacht niet is. Sinds de DSM-5 (2013) ligt de focus op de Somatisch-Symptoomstoornis: de diagnose vereist ALK gecombineerd met lijdensdruk en excessieve gedachten, gevoelens of gedragingen gerelateerd aan de klachten.
Onderzoek: Het paradigma 'verklaard versus onverklaard' loslaten Uit onderzoek van Hanssen bleek dat er nauwelijks klinisch relevante verschillen bestaan (in persoonlijkheid, sociale steun of zorgbehoefte) tussen patiënten met verklaarde lichamelijke klachten en patiënten met onverklaarde klachten.
Door de data opnieuw te analyseren op basis van patiëntprofielen, in plaats van de medische herkomst van de klacht, ontstond een nuttiger beeld. Er kwamen profielen naar voren gebaseerd op somatische kwetsbaarheid en psychosociale factoren (mentaal sterk, mentaal kwetsbaar, eenzaam, of worstelend met acceptatie/zingeving). De conclusie is dat het onderscheid tussen 'verklaard' en 'onverklaard' niet relevant is voor de inrichting van de zorg. Een multidisciplinaire, biopsychosociale benadering is essentieel.
Opvallend is bovendien dat ouderen met een somatisch-symptoomstoornis vaker medicatie gebruiken dan ouderen met een angststoornis, terwijl richtlijnen hiervoor juist psychologische interventies aanbevelen, geen medicatie.
Psychologische behandeling en de definitie van herstel Hoewel er beperkt onderzoek (slechts drie RCT's) is gedaan naar psychologische behandeling van de somatisch-symptoomstoornis specifiek, tonen deze studies wel aan dat psychotherapie effectief is op latere leeftijd: het vermindert lichamelijke klachten, angst en depressie.
De vraag is echter of het verminderen van klachten het primaire doel moet zijn. Kwalitatief onderzoek toont aan dat patiënten herstel vaak anders definiëren: zij ervaren herstel als het vergroten van inzicht in de wisselwerking tussen lichaam en geest, het ervaren van meer rust en het 'zichzelf weer terugvinden'.
In een recente pilotstudie werd Acceptance and Commitment Therapy (ACT) toegepast bij fysiek kwetsbare ouderen (gemiddeld 80 jaar). Dit bleek haalbaar, mits flexibel aangeboden (bijvoorbeeld telefonisch en met de mogelijkheid tot pauzeren bij ziekte). Kwantitatieve vragenlijsten toonden weinig significante veranderingen, maar uit diepte-interviews bleek een complexer beeld. Zelfs patiënten die op vragenlijsten achteruitgingen, gaven in gesprekken aan baat te hebben gehad bij de confrontatie en behandeling. Vragenlijsten vangen mogelijk niet de volledige realiteit van het psychologische proces in deze levensfase.
Conclusie en Q&A De kernboodschap: ouderdom of fysieke kwetsbaarheid is geen geldige reden om psychologische behandeling te onthouden.
Tijdens de vragenronde stelde een specialist ouderengeneeskunde de vraag hoe om te gaan met patiënten die blijven vasthouden aan een somatische oplossing, terwijl acceptatie nodig is. Hanssen adviseerde om de vroegere scheiding (waarbij eerst het medische traject volledig werd afgesloten voordat de psycholoog in beeld kwam) los te laten. Parallel behandelen werkt beter. Het aanbieden van psychologische hulp moet echter gebeuren met respect voor de timing van de patiënt; als iemand er nog niet klaar voor is, kan de optie opengehouden worden zonder het te forceren.
Verslag: De factor tijd, leeftijd en biologische veroudering bij depressie
Spreker: Prof. dr. Brenda Penninx
Deze lezing analyseert de relatie tussen mentale gezondheid – specifiek depressie en angst – en drie kernconcepten: historische tijd (trends en chroniciteit), chronologische leeftijd (levensloop) en biologische veroudering.

De factor Tijd: Nemen depressie en angst toe? Er is veel maatschappelijk debat over de vraag of we mentaal ongezonder worden. Zweedse bevolkingsdata tonen een stelselmatige toename in het zorggebruik voor depressie tussen 2004 en 2021. Zorggebruik is echter gevoelig voor factoren als toegankelijkheid en afnemend stigma.
Betrouwbaarder zijn de objectieve cijfers uit het Nederlandse NEMESIS-onderzoek (psychiatrische interviews in de algemene bevolking). Waar de prevalentie van depressie jarenlang stabiel rond de 5 à 6% lag, toont de meest recente meting (2019-2022) een scherpe stijging naar 9,3% (10,8% inclusief bipolaire stoornis). Deze toename is niet verklaarbaar door een tijdelijk COVID-19-effect, veranderde demografie of rapportage-bias. De stijging is het sterkst zichtbaar bij jongvolwassenen (vooral in angststoornissen), maar treedt ook op bij ouderen.
De factor Tijd: Chroniciteit van depressie Vanuit de NESDA-studie (Nederlandse Studie naar Depressie en Angst) blijkt dat het beloop van depressie veel chronischer is dan vaak wordt gedacht. Na twee jaar is 58% van de patiënten hersteld. Kijkt men echter naar een termijn van zes jaar, en rekent men diagnose-switches (bijvoorbeeld van depressie naar een paniekstoornis) mee, dan is nog slechts 17% volledig vrij van psychopathologie.

De chroniciteit van depressie neemt bovendien toe in de algemene bevolking. Dit vraagt om een structurele herziening van de zorg: depressie moet minder als een eenmalige episode worden behandeld, en meer via langdurige disease management-programma's, vergelijkbaar met de monitoring bij diabetes of hart- en vaatziekten.
De factor Leeftijd: Risicofactoren en symptoomprofielen Depressie kent vaak een vroege ontstaansleeftijd; bij de helft van de patiënten ontstaat het voor het 30e levensjaar. Kinderen van ouders met psychiatrische aandoeningen (onderzocht in het MARIO-project) vertonen al voor hun twintigste een significant verhoogde incidentie van psychopathologie.
Door gegevens van NESDA te combineren met NESDO (ouderen tot 95 jaar), worden verschillen in de levensloop zichtbaar:
- Risicofactoren: Bij een vroege onset spelen jeugdtrauma en lage sociaaleconomische status een grotere rol. Bij depressie op latere leeftijd zijn fysieke gezondheidsproblemen en cognitieve achteruitgang de dominante voorspellers.
- Symptomatologie: De algehele ernst van de depressie verschilt niet tussen jong en oud. Wel presenteren ouderen zich vaker met somatische symptomen, terwijl pure stemmingsklachten en emotioneel-cognitieve symptomen vaker bij jongeren voorkomen.
- Behandelrespons: Data uit de OPERA-studie (gebruik van de antidepressiva sertraline en citalopram) tonen aan dat oudere leeftijd geen negatieve voorspeller is voor herstel. Het bereiken van stabiele remissie verloopt bij ouderen minstens even succesvol als bij jongeren.

De factor Veroudering: Depressie als systemische ziekte Mensen met een psychiatrische stoornis overlijden gemiddeld 5 tot 10 jaar (soms meer) eerder dan de algemene populatie. Depressie is een onafhankelijke risicofactor voor de ontwikkeling van somatische aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, diabetes en dementie.
Depressie versnelt de biologische veroudering op cellulair en moleculair niveau. Dit is meetbaar via verschillende fysiologische lagen:
- Telomeerlengte: Patiënten met depressie, en specifiek bij chronische en ernstige vormen, hebben kortere telomeren (de beschermende uiteinden van chromosomen).
- Epigenetica: Via DNA-methylatie (het 'aan' of 'uit' zetten van genen door methylgroepen) is een biologische klok te berekenen. Depressieve patiënten zijn epigenetisch ouder dan hun chronologische leeftijdsgenoten.
Deze biologische veroudering wordt deels gedreven door leefstijlfactoren (roken, inactiviteit, hoog BMI) die vaker voorkomen bij depressie, maar ook door een ontregeld stresssysteem (verhoogd cortisol, systemische inflammatie). Huidig onderzoek richt zich op de vraag of deze biologische veroudering reversibel is door leefstijlinterventies zoals intensieve beweging.
Q&A Tijdens de vragenronde werd gereflecteerd op de haalbaarheid van brede disease management-programma's, gezien het feit dat 1 op de 10 Nederlanders kampt met depressie. De spreker benadrukte de noodzaak van een stevige publieke gezondheidsaanpak: preventie en laagdrempelige monitoring op scholen, gecombineerd met actievere monitoringstaken voor huisartsen voor de patiënten die zich al in de tweede lijn bevinden.
Verslag: Transitiepsychiatrie: over de kloof tussen jeugd- en volwassenen-GGZ
Sprekers: Jindra Bakker & Larissa van de Giessen (namens prof. dr. T. van Amelsvoort)
De administratieve grens van 18 jaar De psychiatrische zorg is in Nederland opgeknipt door een harde juridische en administratieve grens bij 18 jaar. Vóór die verjaardag valt een jongere onder de Jeugdwet, waarbij de behandeling vaak holistisch en systeemgericht is en ouders nauw betrokken zijn. Op de dag dat iemand 18 wordt, valt deze onder de volwassenen-GGZ. Vanaf dat moment wordt maximale autonomie en zelfregie verwacht, en verdwijnen ouders vaak naar de achtergrond.

Deze abrupte grens staat in schril contrast met de biologische en psychologische realiteit. Volwassenwording is een gradueel, biopsychosociaal proces, in de literatuur vaak emerging adulthood (ontluikende volwassenheid, ca. 16 tot 25 jaar) genoemd.
De kwetsbaarheid van 'Emerging Adults' Wereldwijd is er sprake van een sterke toename in mentale klachten onder jongeren, een trend die al ruim voor de coronapandemie zichtbaar was. Tussen de 10 en 24 jaar zijn mentale aandoeningen de belangrijkste oorzaak van ziektelast en verminderde kwaliteit van leven. Ongeveer 60% van alle psychiatrische stoornissen ontstaat vóór het 25e levensjaar.
Jongeren in deze fase zijn extra kwetsbaar door een combinatie van factoren:
- Hersenontwikkeling: Er is een mismatch in de rijping van het brein. De subcorticale gebieden (verantwoordelijk voor emotie en beloning) zijn rond het 19e levensjaar volledig actief, terwijl de prefrontale cortex (verantwoordelijk voor impulsbeheersing en overzien van consequenties) pas rond het 25e jaar is uitontwikkeld.
- Sociale ontwikkeling: Er is een verschuiving van familie naar leeftijdsgenoten (peers). Jongeren zijn in deze fase hypergevoelig voor (ingebeelde) sociale afwijzing.
- Maatschappelijke druk: Externe factoren zoals de klimaatcrisis, een onzekere arbeidsmarkt en de constante vergelijking via sociale media creëren een klimaat van existentiële onzekerheid.
Wanneer mentale klachten juist in deze fase ontstaan, verstoren ze cruciale mijlpalen (zoals het behalen van een diploma of het betreden van de arbeidsmarkt). Dit leidt op latere leeftijd (rond het 30e jaar) tot een aanzienlijk lagere kans op betaald werk en een lager inkomen.
Persoonlijke noot: Dat klopt! En het beleidssysteem is ingericht om dat zo te houden.
De kloof in de zorg: Transfer versus Transitie De overgang naar de volwassenen-GGZ is nu vaak een transfer: een simpele administratieve overdracht. Wat jongeren nodig hebben is een transitie: een doelgericht en begeleid proces. De Europese MILESTONE-studie toont aan dat slechts 1 op de 5 jongeren succesvol de overstap maakt naar de volwassenen-GGZ. Een groot deel valt uit of blijft hangen in de jeugdzorg. Jongeren ervaren de overstap als 'koud', met onrealistische verwachtingen rondom hun autonomie en een gebrek aan steun. Tevens voelen behandelaren in de volwassenen-GGZ zich vaak onvoldoende competent om met deze specifieke leeftijdsgroep om te gaan.

Mogelijke oplossingen Om deze kloof te dichten, presenteerden de sprekers drie oplossingsrichtingen:
- Verbetering van de organisatorische transitie: Het inzetten van transitiecoördinatoren, het integreren van ouders/verzorgers in de volwassenen-GGZ en het bevorderen van gezamenlijk beleid (warme overdracht) tussen jeugd- en volwassenenteams. Hiervoor is de Nederlandse kwaliteitsstandaard 'Jongvolwassenen / transitie van kinderzorg naar volwassenenzorg' ontwikkeld.
- Leeftijdsgrenzen loslaten: Het oprichten van specifieke transitiepsychiatrie-teams (zoals bij het Mondriaan centrum). Hierin werken jeugd- en volwassenenbehandelaren samen. De focus is transdiagnostisch (74% van de cliënten heeft minimaal twee diagnoses), met ruimte voor existentiële vragen en wisselende suïcidaliteit. Er wordt tevens gewerkt met nieuwe meetinstrumenten (zoals de My Life Tracker), die beter aansluiten bij wat jongeren zelf belangrijk vinden.
- De drempel naar hulp verlagen: Om de lange wachttijden en het stigma te omzeilen, wordt ingezet op laagdrempelige voorzieningen. Een voorbeeld is @ease (gebaseerd op het Australische headspace): inloopcentra waar jongeren gratis en anoniem in gesprek kunnen met getrainde vrijwilligers (leeftijdsgenoten), ondersteund door GGZ-professionals. Daarnaast wordt het ENJOY-platform onderzocht, een e-health oplossing voor jongeren met beginnende klachten.
Q&A: Integratie van jeugd- en volwassenen-GGZ? De dagvoorzitter stelde de vraag of de jeugd- en volwassenen-GGZ idealiter niet gewoon moeten fuseren tot één grote instelling. De sprekers gaven aan dat dit theoretisch ideaal zou zijn, maar praktisch stuit op historische barrières. De jeugd-GGZ komt van oudsher voort uit het onderwijs en de gedragswetenschappen, terwijl de volwassenen-GGZ is geworteld in het medische model. Zij spreken wezenlijk andere talen, waardoor een fusie momenteel een hoog risico met zich meebrengt op "een disfunctioneel gezin onder één dak".
TRAILS-onderzoek: Het voorspellen van depressie
Spreker: Tineke Oldehinkel (TRAILS-cohort)
Na de pauze begon een blok met korte pitches van jonge onderzoekers verbonden aan TRAILS (TRacking Adolescents' Individual Lives Survey), een grootschalig, langlopend cohortonderzoek in Noord-Nederland. In deze studie worden deelnemers al gevolgd vanaf hun 11e levensjaar; inmiddels zijn zij in de dertig.
De eerste pitch draaide om een fundamentele vraag binnen de psychiatrie: Hoe goed kunnen we op individueel niveau voorspellen wie depressieve klachten ontwikkelt?
Het probleem met algemene risicofactoren
We weten op groepsniveau heel goed welke factoren de kans op een depressie vergroten. Zo komt depressie vaker voor bij vrouwen dan bij mannen, en zijn traumatische jeugdervaringen een sterke risicofactor. Echter, wanneer je inzoomt op de langdurige data van individuele levenslijnen binnen TRAILS, blijkt het verloop zeer chaotisch te zijn.

Zelfs als je de data filtert op geslacht, of de extremen vergelijkt (bijvoorbeeld de 10 individuen met de meeste traumatische jeugdervaringen – zoals overlijden van een dierbare of misbruik – versus de 10 met de minste), kruisen de individuele trajecten elkaar constant. Een hoog risicoprofiel leidt niet per definitie tot depressie, en een laag risicoprofiel is geen garantie voor mentale gezondheid. Het voorspellen van depressie op basis van losse risicofactoren voor één specifiek individu is nagenoeg onmogelijk.
De beste voorspeller: het verleden
De sterkste voorspeller voor toekomstige depressieve klachten blijkt simpelweg de voorgeschiedenis van de patiënt zelf te zijn. Eerdere depressieve klachten vangen als het ware de optelsom van alle onderliggende risicofactoren.
Uit de TRAILS-data blijkt dat de voorspellende waarde van eerdere klachten toeneemt naarmate men ouder wordt:
- Depressieve klachten op 11-jarige leeftijd verklaren ongeveer 22% van de klachten op 13-jarige leeftijd.
- In de late adolescentie stijgt deze voorspellende waarde naar 30%.
- Tegen het einde van de twintigjarigheid (naar begin dertig) voorspellen recente klachten zo'n 44% van de latere klachten.

Hoeveel kunnen we maximaal voorspellen?
De onderzoeker probeerde de klachten op 32-jarige leeftijd zo goed mogelijk te voorspellen door alle beschikbare TRAILS-data (van 11 tot 29 jaar) in een model te stoppen.
- De klachten op 29-jarige leeftijd verklaarden 44%.
- Het toevoegen van het totale gemiddelde van alle eerdere metingen en de trendlijn bracht dit naar 50%.
- Factoren zoals geslacht en trauma voegden slechts minimaal iets toe (respectievelijk 2% en 4%).
- Het toevoegen van recente stressvolle levensgebeurtenissen voegde nog eens 4% toe.
- Andere variabelen, zoals comorbiditeit (verslaving, persoonlijkheid, lichamelijke klachten), voegden de laatste 4% toe.
In totaal kwam het maximale voorspellende model uit op 58%.
De vrije vogel
Waarom kunnen we niet tot 100% komen? Ten eerste is er meetruis; vragenlijsten zijn momentopnames, afhankelijk van de waan van de dag. Deze 'ruis' is verantwoordelijk voor zo'n 25% van de variantie, wat betekent dat het voorspellen van 58% in werkelijkheid zeer dicht bij het theoretisch haalbare maximum ligt.

De presentatie sloot echter af met een positieve, humanistische noot, gesymboliseerd door een afbeelding van een vrije vogel. Het onvoorspelbare residu in de data betekent dat mensen niet gedetermineerd zijn door hun verleden, hun trauma's of hun genen. Zelfs de meest complexe algoritmes kunnen de menselijke veerkracht niet volledig vangen. Iedereen behoudt de vrijheid om, tegen de verwachtingen in, een positieve wending aan zijn of haar leven te geven.
Verslag: Pitches TRAILS-onderzoek: De overstap naar TRAILS Next (The Next Generation)
Spreker: Catharina Hartman
Na de eerste pitch werd de blik verruimd van de oorspronkelijke TRAILS-deelnemers naar hun nakomelingen. Waar men wellicht een 'TRAILS 2.0' zou verwachten met een nieuwe groep 11-jarigen, heeft het onderzoeksteam een andere, veel ambitieuzere afslag genomen: TRAILS Next. Dit project onderzoekt de 'next generation' vanaf de zwangerschap en de babytijd.

De praktische uitdagingen van baby-onderzoek Hartman deelde openhartig haar initiële twijfels over dit project. Het meten van baby’s vereist een compleet andere tak van sport dan onderzoek met jongvolwassenen: "Deze jonkies doen niet wat je zegt, ze vullen geen vragenlijsten in en je kunt ze niet interviewen." Het onderzoek vergt enorme flexibiliteit van de dataverzamelaars, want huisbezoeken en observaties mislukken simpelweg als een baby slaapt of huilt.
Daarnaast is de logistiek complex. In plaats van een groep in één keer te werven en te meten, is er sprake van een lange 'wachtpartij'. Vrouwen zijn ongeveer 25 jaar vruchtbaar, wat betekent dat de inclusiefase van de baby's van het oorspronkelijke TRAILS-cohort maar liefst 25 jaar beslaat (we zijn nu ongeveer halverwege). Intussen lopen de metingen van de eerste baby's, die al ouder worden (momenteel tot en met 6,5 jaar), volledig parallel aan de doorlopende metingen van hun ouders. Dit is een gigantische en complexe logistieke operatie, maar inmiddels zijn er succesvol al meer dan 1000 kinderen geïncludeerd.
De rationale: Intergenerationele overdracht Waarom deze gigantische moeite? Zoals uit de vorige pitch bleek, is het verleden van de patiënt (eerdere klachten) een sterke voorspeller voor depressie. Een andere zeer sterke, zo niet de sterkste, voorspeller is het hebben van een ouder met een psychiatrische stoornis.
Uit data blijkt dat rond het 20e levensjaar zo'n 38% van de jongeren een episode van depressie heeft doorgemaakt. Op 35-jarige leeftijd stijgt dit naar 65%. TRAILS Next is ontworpen om verder te kijken dan alleen het vaststellen van dit risico; het wil de hoe-vraag beantwoorden. Hoe werkt die intergenerationele overdracht precies? Welke mechanismen spelen een rol bij de ontwikkeling van psychopathologie?

De juweeltjes van TRAILS Next Hartman belichtte de unieke eigenschappen ('juweeltjes') van de TRAILS Next-studie die het mogelijk maken deze vragen te beantwoorden:
- Compleet Genetisch Profiel: Er wordt genetisch materiaal verzameld van beide ouders én het kind. Hierdoor kan heel precies ontrafeld worden welk deel van het risico puur genetisch is.
- Focus op Opvoeding en Interactie: Door uitgebreide huisbezoeken en video-observaties van de ouder-kind interactie, kan de invloed van de omgeving (nature vs. nurture) in kaart worden gebracht.
- Leeftijdsspecifieke Ontwikkeling: De metingen zijn strak afgestemd op ontwikkelingsfasen (bijv. sociale ontwikkeling op 2,5 jaar, eerste planningsvaardigheden en zelfregulatie op 4 jaar).
- Longitudinale data van de ouders: Dit is wellicht het grootste unicum. Men onderzoekt niet alleen het kind en de huidige staat van de ouder, maar men beschikt over de volledige ontwikkelingsgeschiedenis van de ouder (vanaf 11 jaar oud) tot aan de conceptie.
- Transdiagnostisch en Aspecifiek: Intergenerationele overdracht is aspecifiek. Een ouder met depressie kan een kind krijgen met angstklachten, maar net zo goed met ADHD. TRAILS Next kijkt breed naar de ontwikkeling van psychopathologie, zonder zich blind te staren op specifieke DSM-labels.
- Inclusie van Vaders: In tegenstelling tot veel ander transgenerationeel onderzoek, neemt TRAILS Next nadrukkelijk de vaders mee. Dit maakt het onder andere mogelijk om uit te sluiten of een effect daadwerkelijk ontstaat door lichamelijke blootstelling via de moeder tijdens de zwangerschap, of dat er andere (genetische/omgevings)factoren spelen.
Conclusie TRAILS Next houdt enorm veel ballen in de lucht, maar biedt een prachtig, ongeëvenaard perspectief op de intergenerationele overdracht van psychiatrische kwetsbaarheid.
TRAILS-onderzoek: Intergenerationele overdracht van pijn en ziekteangst
Spreker: Elske Hoogendoorn
De derde en laatste pitch liet direct zien hoe de theorie uit de vorige presentatie (TRAILS Next) in de praktijk wordt gebracht. Waar het vorige verhaal de breedte van het onderzoek schetste, zoomde dit onderzoek in op één specifieke uiting van intergenerationele overdracht: de reactie op fysieke pijn.

Pijn en de ouder-kind interactie
Er bestaan grote individuele verschillen in de mate waarin mensen last hebben van pijn. We weten inmiddels dat pijngevoeligheid zich sterk clustert binnen gezinnen. Vanaf zeer jonge leeftijd leren kinderen hoe ze fysieke sensaties moeten interpreteren en reguleren, en dit doen ze primair via interactie met hun ouders. Wanneer een kind valt, kijkt het bijvoorbeeld vaak eerst naar de reactie van de ouder om te bepalen of het moet huilen (distress) of dat het 'wel meevalt'.
Het is echter ethisch en praktisch onmogelijk om ouders en baby's uit te nodigen in een laboratorium om de baby vervolgens gecontroleerd pijn te doen. Daarom bedacht het TRAILS Next-team een slimme, naturalistische oplossing: ze gingen met een camera mee naar consultatiebureaus om de reactie van ouders (en de baby) te filmen tijdens de standaard vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma op de leeftijd van drie maanden.

Onderzoeksopzet en doel
Het doel van de studie was om te onderzoeken of de eigen voorgeschiedenis van de ouder (chronische pijn of ziekteangst/hypochondrie tijdens hún jeugd) voorspelt hoe zij jaren later, als kersverse ouder, reageren op de pijn van hun eigen baby.
Doordat de ouders zelf deelnemers zijn in de langlopende TRAILS-studie, beschikten de onderzoekers over unieke data: de zelfgerapporteerde chronische pijn en ziekteangst van deze ouders toen zij nog adolescenten (vanaf 13 jaar oud) waren.
Tijdens het consultatiebureau-bezoek werden verschillende zaken gemeten:
- Emotioneel: Vragenlijst in de wachtkamer over de 'toestandsangst' van de ouder (hoe nerveus zijn ze op dat moment?).
- Gedragsmatig: Video-observatie van het troostgedrag tijdens en na de prik (gecodeerd door onafhankelijke onderzoekers in categorieën zoals 'coping-bevorderend gedrag' of 'distress-bevorderend gedrag').
- Cognitief: Een inschatting van de ouder direct na de vaccinatie over hoeveel pijn de baby zojuist had ervaren.
In totaal werden 146 ouder-kind paren geobserveerd (grotendeels moeders).

Resultaten: De lange schaduw van de jeugd
De resultaten toonden duidelijke en significante verbanden tussen de jeugd van de ouder en hun huidige reactie:
- Ziekteangst in de jeugd voorspelt gedrag: Ouders die in hun eigen adolescentie (vanaf 13 jaar) veel last hadden van ziekteangst, vertoonden tijdens de vaccinatie significant minder coping-bevorderend gedrag en meer distress-bevorderend gedrag (zoals zelf heel angstig kijken en minder fysieke nabijheid/troost bieden).
- Chronische pijn in de jeugd voorspelt cognitie: Ouders die in hun jeugd chronische pijn hadden ervaren, schatten de pijn van hun baby direct na de prik significant hoger in dan ouders zonder die voorgeschiedenis.
Opvallend was dat de actuele zenuwachtigheid van de ouder (toestandsangst in de wachtkamer) deze effecten niet medieerde. Het effect zat dus dieper geworteld in de chronische voorgeschiedenis.
Conclusie en implicaties
Deze studie demonstreert prachtig hoe intergenerationele overdracht in de praktijk werkt. Ouders met een voorgeschiedenis van ziekteangst lijken de pijn van hun baby als zeer bedreigend te interpreteren en reageren daar, soms onbewust, distress-verhogend op. Ouders met een verleden van chronische pijn lijken de pijn van hun kind te overschatten.
Het risico hiervan is dat deze ouders hun kinderen gaan overbeschermen of katastroferen rondom fysieke sensaties, wat er paradoxaal genoeg toe kan leiden dat de pijnklachten en angsten bij het kind op latere leeftijd juist erger worden.
Volgens de onderzoeker benadrukken deze resultaten het belang van gerichte, preventieve interventies voor aanstaande ouders die zelf een geschiedenis hebben van chronische pijn of ziekteangst.
De non-lineaire relatie tussen BMI, buikomvang en depressie
Spreker: Meiyu Lu (Engelstalige pitch)
De laatste presentatie voor de lunchpauze bracht een fysiek en mentaal thema samen: de complexe relatie tussen lichaamsgewicht (obesitas) en depressieve stoornissen over de levensloop. Uit deze grootschalige data-analyse blijkt dat de link tussen gewicht en mentale gezondheid niet simpelweg een rechte lijn is, maar sterk varieert afhankelijk van de gebruikte maatstaf, leeftijd en geslacht.

BMI versus Buikomvang Er werd onderscheid gemaakt tussen twee verschillende maten voor overgewicht: de Body Mass Index (BMI) en de buikomvang (Waist Circumference of WC).
- BMI toont een U-vormig verband: Zowel een te laag als een te hoog BMI is geassocieerd met een verhoogd risico op depressieve stoornissen. Het relatief laagste risico op depressie werd gevonden bij een gematigd BMI tussen de 23 en 26.
- Buikomvang toont een lineair verband: Bij buikomvang (centrale obesitas) is het een ander verhaal. Hierbij is alleen een hoge buikomvang gecorreleerd met een hoger risico op depressie, niet een te lage. Het laagste risico wordt hier gezien bij een buikomvang van minder dan 90 centimeter.
Verschillen per levensfase De leeftijd waarop iemand zich bevindt, bepaalt sterk welk mechanisme de doorslag geeft in de relatie tussen gewicht en depressie:
- Jongvolwassenen (18-30 jaar): Bij de jongste groep is het effect van een hoog BMI op de ontwikkeling van depressie veruit het sterkst. In deze leeftijdsfase spelen psychosociale factoren de hoofdrol. Een verstoord lichaamsbeeld, onzekerheid en gewichtsstigma vanuit de maatschappij hakken er bij deze groep mentaal het zwaarst in.
- Middelbare leeftijd (rond de 50 jaar): Hoewel de individuele impact bij jongeren groter is, valt de totale populatielast (de hoeveelheid depressies in de maatschappij die je kunt toeschrijven aan een hoog BMI) het hoogst uit bij mensen van middelbare leeftijd. Hier spelen voornamelijk biologische complicaties en hormonale en metabole veranderingen een rol.

Verschillen tussen mannen en vrouwen Een opvallende uitkomst van de studie was dat er bij het BMI geen significante verschillen werden gevonden tussen mannen en vrouwen wat betreft het risico op depressie.
Bij de buikomvang was dit verschil er echter wel: centrale obesitas blijkt bij mannen een veel sterkere voorspeller voor depressie dan bij vrouwen. De onderzoekster verklaarde dit door een specifieke metabole route aan te wijzen: bij mannen leidt veel buikvet tot een verlaagd testosteronniveau. Dit lage testosteron leidt op zijn beurt weer tot nog méér vetopslag rond de buik en een direct verhoogd risico op depressieve klachten. Bij vrouwen speelt dit specifieke fysiologische mechanisme niet.
Afsluiting De dagvoorzitter sloot dit intensieve en snelle blok van jonge onderzoekers luchtig af door het publiek erop te wijzen dat, mocht iemand tijdens de pauze twijfelen over het nemen van een gebakje, de spreker ongetwijfeld van goed advies kon voorzien. Hiermee werd de ochtendsessie afgerond.
Hier is het verslag van de presentatie over het PsyPal-project, een pitch net na de lunch/pauze. Hoewel de naam van de spreker in dit transcript niet expliciet wordt genoemd, valt uit de inhoud op te maken dat het een (jonge) onderzoeker is die samenwerkt met promotor Robert Schoevers, gericht op psychedelica in de psychiatrie.
PsyPal: Psychedelica in de laatste levensfase bij chronische aandoeningen
Spreker: Stephan Tap
Persoonlijke Noot: Ik heb de presentatie/slides van Stephan al eerder vastgelegd, je kunt het vinden elders op deze website of anders bij Anoiksis, of gewoon Stephan zelf vragen om zijn slides - hij wil het onderzoek graag aan de man brengen. Ik vroeg hem na afloop hoe men omging met klanten die mogelijk psychotisch decompenseerde, een vraag die bij mij was gaan leven, maar hij verzekerde mij wel dat dit met de grootste zorg, follow-up en checks werd uitgevoerd en dat deelnemers ook voorbereid werden hierop wat natuurlijk de angel uit de trip haalt. Weglopende realiseerde ik mij ook: Ja, trippen in een ziekenhuis is echt van een andere orde natuurlijk.

Deze presentatie belichtte een zeer innovatief en actueel onderwerp binnen de psychiatrie: de therapeutische inzet van psilocybine (de werkzame, psychoactieve stof in 'paddo's' en 'truffels'). Waar deze stof al duizenden jaren in religieuze en spirituele contexten wordt gebruikt, staat het nu volop in de belangstelling van de medische wetenschap.
Eerder onderzoek naar Psilocybine
Kleine, eerdere studies hebben al aangetoond dat psilocybine veelbelovend kan zijn bij hardnekkige depressie en bij patiënten in de laatste fase van kanker. Patiënten in deze studies rapporteerden vaak dat de behandeling behoorde tot de top vijf meest betekenisvolle, spirituele ervaringen van hun leven. Kwalitatieve interviews lieten zien dat zij een diep gevoel van onderlinge verbondenheid ("interconnectedness") en emotionele openheid ervoeren. Dit leidde tot significante verminderingen van angst en depressie, en een toegenomen acceptatie van de naderende dood.
Echter, deze eerdere studies waren zeer klein. "We staan echt nog in de kinderschoenen," aldus de spreker.
Het PsyPal Project
Om dit veld wetenschappelijk stevig te onderbouwen, is met een Europese subsidie van 6,5 miljoen euro (Horizon Europe) het PsyPal-project gelanceerd, een samenwerking tussen 19 Europese partners onder leiding van prof. dr. Robert Schoevers (UMCG).
Het onderzoek wordt uitgevoerd in Nederland (Groningen), Denemarken (Kopenhagen), Tsjechië (Praag) en Portugal (Lissabon). Het betreft een dubbelblind, gerandomiseerd, placebogecontroleerd multicenter-onderzoek naar de veiligheid en effectiviteit van psilocybine. Uniek aan PsyPal is dat het zich specifiek richt op patiënten met vier verschillende, zware chronische aandoeningen die kampen met een comorbide depressie:
- COPD
- MS (Multiple Sclerose)
- ALS
- De ziekte van Parkinson
De fasen van de studie
Het onderzoek is opgedeeld in twee fasen:
- Fase 1: De Dosering en TherapieDit is een intensief traject. Eerst zijn er drie voorbereidingssessies om een sterke therapeutische relatie op te bouwen en de patiënt mentaal voor te bereiden op de mogelijke overweldigende effecten van psilocybine. Vervolgens zijn er twee doseringssessies (met twee weken ertussen). In de experimentele conditie krijgt men eerst 15mg en daarna 25mg psilocybine (om aan de effecten te wennen en de somatische veiligheid te borgen). De controlegroep krijgt 1mg. Tussendoor en achteraf vinden integratiesessies plaats, waarbij de psychotherapeutische focus ligt op zingeving, doelen stellen en emotioneel welbevinden.
- Fase 2: De Follow-up en Integratie (6 maanden) Gedurende zes maanden wordt kwalitatief onderzoek gedaan (interviews, focusgroepen) om de therapie verder te optimaliseren. Patiënten krijgen toegang tot een 'digital care platform' (een app met oefeningen om om te gaan met emoties en uitdagingen) en er worden online steungroepen ('peer support') georganiseerd waar patiënten wereldwijd ervaringen kunnen uitwisselen. Aan het eind van de studie krijgt de controlegroep alsnog de optie om de volledige dosis van 25mg te proberen.
Uitdagingen en ethiek
De onderzoeker benadrukte tot slot een aantal flinke uitdagingen bij dit soort onderzoek:
- Blinderen is onmogelijk: Omdat de effecten van psychedelica zo merkbaar zijn, weten patiënt en therapeut vaak al na een uur in welke groep de patiënt zit (de 1mg of de 25mg groep).
- Informatievoorziening: Het is taaltechnisch en conceptueel ontzettend moeilijk om aan bijvoorbeeld een COPD-patiënt zonder enige ervaring hiermee uit te leggen wat zo'n ervaring precies inhoudt en teweegbrengt.
- Fysieke aanraking: In de handleiding is ruimte voor troostende aanraking (bijvoorbeeld een hand vasthouden als de patiënt angstig wordt tijdens de trip), maar de grenzen van de therapeut moeten hierin vooraf uiterst ethisch, voorzichtig en expliciet met de patiënt worden afgestemd.
- Medicatie-interacties: Patiënten met ALS of Parkinson slikken vaak al een heel arsenaal aan medicatie. De mogelijke interacties (en adverse events) met psilocybine vormen een belangrijk, explorerend onderdeel van deze studie.
Gepersonaliseerde Experience Sampling in Schematherapie voor Ouderen
Spreker: dr. M.N. Servaas
De eerste pitch belichtte hoe de inzet van technologie op latere leeftijd een behandeling enorm kan verrijken. Binnen de 'Therapy-studie' wordt onderzocht of het toevoegen van een gepersonaliseerde Experience Sampling Method (ESM) module aan reguliere schematherapie meerwaarde heeft voor ouderen met complexe, comorbide problematiek (zoals een depressie én een persoonlijkheidsstoornis).

Bij ESM vult de patiënt via een app of dagboekje meerdere keren per dag (bijvoorbeeld vijf keer) korte vragen in over hun stemming, gedachten en gedrag. Het innovatieve hieraan is dat de vragenlijst deels gepersonaliseerd is: behandelaar en patiënt bepalen samen welke specifieke triggers of klachten ze willen meten.
Casestudy: Een 72-jarige vrouw
De onderzoeker illustreerde de methode met een casus van een 72-jarige, intelligente vrouw (moeder en oma). Zij meldde zich met een zware terugval van depressie en een comorbide vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Na een doorgemaakte COVID-infectie kampte ze met extreme vermoeidheid, 'brain fog', overprikkeling en fysieke klachten, waardoor ze de deur niet meer uit durfde. Vanuit haar jeugd had ze geleerd emoties weg te stoppen ("niet aanstellen, gewoon doorgaan").
Tijdens haar behandeling in het UCP vulde zij de ESM-module zeer trouw in (97% responsrate). De data uit deze dagboekmetingen leverden cruciale inzichten op:

- Zicht op triggers: Haar somberheid bleek sterk reactief. De app-data lieten zien dat pieken in somberheid direct samenhingen met momenten waarop ze worstelde met psychosociale problemen van haar kinderen, waarbij ze haar eigen grenzen negeerde.
- Medicatie-optimalisatie: Haar 'brain fog' verdween vrij snel, maar fysieke klachten en duizeligheid (waardoor ze zelfs viel in de douche) bleven. Dit kwam niet direct in de therapiesessies ter sprake, maar werd wél in de app geregistreerd. Hierdoor ontdekte het team dat haar medicatie niet goed was afgesteld. Na een aanpassing nam haar energie weer toe.
- Therapiedoelen in de praktijk: De momenten waarop de app haar vroeg stil te staan bij haar gevoelens, hielpen haar enorm om de doelen uit de schematherapie ("bewust worden van gevoel, grenzen stellen") daadwerkelijk in het dagelijks leven toe te passen.
Het monitoren en bespreken van deze fijnmazige data zorgde voor een succesvolle behandeling waarin de patiënt weer voor zichzelf leerde opkomen.
Waar wonen de ouders met psychische problematiek? Regionale verschillen in beeld
Spreekster: Lisa Maeder (Koppeling)
Persoonlijke noot: Sommige jongere sprekers die deelnamen zijn minder goed te vinden online, en hebben nog geen uitgebreid bio of profiel. Dat kunnen we gerust zo laten op dit moment lijkt mij. De tijd komt vanzelf.
De tweede pitch verschoof de focus naar de preventiekant en het KOPP-vraagstuk (Kinderen van Ouders met Psychiatrische Problematiek). In Nederland hebben naar schatting honderdduizenden ouders psychische problemen, waardoor 1 op de 4 kinderen een verhoogd risico loopt om zelf ook klachten te ontwikkelen. Desondanks lopen aanmeldingen voor preventieve KOPP-interventies terug. Is er sprake van schaamte en stigma, of zijn de interventies fysiek op de verkeerde plekken georganiseerd?

Om dit uit te zoeken, analyseerde de onderzoeker data van maar liefst 17.000 ouders uit het grootschalige LifeLines-cohort in Noord-Nederland.
Verschillen tussen stad en ommeland
De data brachten opmerkelijke regionale verschillen in kaart:
- Drenthe: Hier ligt de prevalentie van psychische problematiek onder ouders significant lager dan het landelijke en noordelijke gemiddelde.
- Groningen: In bepaalde gemeentes, met name in en rondom de stad Groningen, piekt de prevalentie juist enorm. In sommige gebieden lag de prevalentie rond de 38% tot 39%, met uitschieters naar 45%.
Risicofactoren
Naast de geografische spreiding bevestigde de studie bekende sociale risicofactoren. De prevalentie van klachten is hoger bij:
- Moeders (ten opzichte van vaders)
- Ouders zonder betaald werk
- Ouders met weinig sociale contacten en zonder lidmaatschap van een (sport)vereniging of hobbyclub
- Ouders met een lagere opleiding
- Ouders die zijn blootgesteld aan ingrijpende levensgebeurtenissen (adverse events)
Kip of ei?
De onderzoeker benadrukte dat deze data cross-sectioneel (een momentopname) zijn. Het is op basis hiervan niet te zeggen of de regio (zoals de stad) mensen psychisch kwetsbaarder maakt, of dat mensen die psychische zorg nodig hebben vaker naar de (binnen)stad verhuizen, dichtbij voorzieningen. Om dat te achterhalen, zal in vervolgonderzoek gekeken worden naar de longitudinale data van LifeLines over de afgelopen decennia. De dagvoorzitter sloot de sessie af met een knipoog: "Laten we hopen dat we snel weten wat de kip en het ei is, zodat mensen niet zomaar gaan verhuizen voor een gelukkige jeugd van hun kinderen."
De impact van ADHD op complexe somatische trajecten
Spreker: Yiling Zhou
De afsluitende pitch van de dag toonde krachtig aan dat we psychiatrie en somatiek niet als gescheiden werelden kunnen zien. De spreker presenteerde onderzoek naar de invloed van ADHD op het langetermijnverloop van hart- en vaatziekten. Vaak worden complicaties in de medische wereld als losse incidenten bekeken, maar dit onderzoek bracht de hele 'patiëntreis' (illness trajectory) in kaart: vanaf de start van bloeddrukverlagende medicatie (hypertensie) tot aan latere complicaties en eventueel overlijden.

Grootschalig data-onderzoek
Met behulp van CBS-data werden de trajecten van meer dan 700.000 volwassenen in Nederland gevolgd die startten met medicatie voor hoge bloeddruk. Binnen deze groep hadden ruim 10.000 patiënten tevens de diagnose ADHD. Vanaf dit gezamenlijke startpunt (de diagnose hypertensie) werd de progressie van de ziekte geanalyseerd in drie stappen.
Resultaten: Verschil in type complicaties
Uit de analyse kwam een opvallend en specifiek patroon naar voren:
- Van hypertensie naar de eerste complicatie: Patiënten met ADHD hebben na het vaststellen van hoge bloeddruk een significant hoger risico om hartfalen of een beroerte te ontwikkelen dan patiënten zonder ADHD. Het risico op een hartinfarct (myocardinfarct) of chronische nierschade was in deze eerste fase nog vergelijkbaar.
- Van complicatie naar mortaliteit: Wanneer patiënten eenmaal een complicatie (zoals hartfalen) hadden ontwikkeld, lag de cardiovasculaire mortaliteit bij de ADHD-groep significant hoger.
- Het volledige traject: Als men het héle pad analyseert, blijkt dat ADHD vooral een sterk negatieve invloed heeft op de langetermijntrajecten die draaien om hartfalen en chronische nierschade. ADHD bleek verrassend genoeg géén significante negatieve invloed te hebben op de overlevingspaden na een acuut hartinfarct of acute beroerte.
Hoe is dit verschil te verklaren?
De verklaring voor dit verschil ligt in de aard van de aandoeningen en de symptomen van ADHD.
Chronische aandoeningen zoals hartfalen en nierschade vereisen enorm veel zelfzorg en zelfmanagement van de patiënt. Het vraagt om strikte, dagelijkse medicatietrouw, ingrijpende leefstijlaanpassingen, het structureel monitoren van eigen symptomen en goede, proactieve communicatie met artsen. Dit doet een groot beroep op executieve functies (plannen, organiseren, volhouden) – precies de gebieden waar patiënten met ADHD door hun stoornis op vastlopen.
Bij acute aandoeningen zoals een hartinfarct of een beroerte neemt de acute ziekenhuiszorg het over. De medische interventie is daar veel bepalender voor de overleving dan de langdurige zelfzorg van de patiënt thuis.
De belangrijkste les voor de praktijk
De boodschap voor zowel somatische als psychiatrische zorgverleners is helder: laat de behandeling van patiënten met ADHD én hartfalen of nierschade niet uitsluitend over aan de cardioloog of de nefroloog. Deze patiënten hebben actieve begeleiding vanuit de GGZ nodig om hun zelfzorgvaardigheden te trainen en te ondersteunen.
"ADHD is niet slechts een psychiatrische aandoening," sloot de spreker af, "het vormt daadwerkelijk de fysieke gezondheidsuitkomsten op de lange termijn."
Verslag: Ouder worden van binnenuit: Een filosofisch perspectief op de levensavond
Spreker: Dr. Suzanne Biewinga
De afsluitende lezing van het symposium brak bewust met het medisch-psychiatrische paradigma dat de rest van de dag domineerde. In plaats van ouderdom te benaderen als een aaneenschakeling van pathologieën, bood filosoof Suzanne Biewinga een perspectief op ouder worden als een existentiële ervaring. Biewinga – die zelf op 57-jarige leeftijd filosofie ging studeren en op haar 70e promoveerde – baseert haar inzichten op filosofische 'werkplaatsen': gestructureerde, diepgaande dialogen met groepen ouderen.

De deconstructie van oude verhalen en nieuwe clichés
Om te begrijpen hoe de huidige maatschappij naar ouderdom kijkt, ontleedde Biewinga twee historische beelden en één modern cliché:
- De vanzelfsprekende wijze (Nestor): In de oudheid werd de oudere automatisch gezien als een bron van wijsheid, simpelweg omdat de meesten die leeftijd niet haalden. De levenscurve is echter drastisch verschoven: waar historisch gezien de dood alomtegenwoordig was in elke levensfase, overleeft tegenwoordig vrijwel iedereen het 50e levensjaar.
Dit betekent dat de periode vanaf 70 jaar verandert in een ongetrainde "stoomcursus in verlies", waarbij men plotseling en geconcentreerd geconfronteerd wordt met fysieke achteruitgang en het sterven van naasten. Doordat werkenden en gepensioneerden bovendien in toenemende mate in gescheiden werelden leven, verliest de oudere in de praktijk zijn vanzelfsprekende maatschappelijke rol.
2. De trap des levens: Een hardnekkig 19e-eeuws model waarin de mens piekt rond het 30e (vrouwen) of 50e (mannen) levensjaar, waarna uitsluitend een decennialang verval volgt.

- Het moderne cliché – De vitale oudere: Als reactie op het vervalmodel ontstond eind 20e eeuw de eis van het 'fit en vitaal' ouder worden. Ouderdom werd maatschappelijk geherformuleerd als 'jong blijven'. Biewinga bekritiseert dit concept scherp: jong blijven is een ontkenning van de biologische realiteit. Het koppelt ten onrechte elke positieve eigenschap aan jeugdigheid en schuift de onvermijdelijke verliesfase slechts voor zich uit. Zodra de vitaliteit wegvalt, wordt ouderdom alsnog gereduceerd tot een persoonlijk falen.

Een nieuw mensbeeld: Vier existentiële dimensies
De heersende westerse norm – de volkomen onafhankelijke, competente volwassene aan de top van de piramide – is volgens Biewinga een fictie. Zij stelt een wezenlijk ander antropologisch model voor, gebaseerd op vier dimensies:
- Verlangende wezens: In tegenstelling tot wat theorieën van existentiële psychologen (zoals Irvin Yalom, die doodsangst als primair zag) dicteren, bleek uit de dialogen dat de primaire existentiële zorg van ouderen het behouden van betekenis en persoonlijke waardigheid is.
- Belichaamde wezens: Het lichaam verliest functionaliteit, wat directe gevolgen heeft voor maatschappelijke participatie. Dit leidt frequent tot schaamte (over rimpels, onmacht of afhankelijkheid). Deze schaamte over natuurlijke processen is in essentie irrationeel en vereist actieve cognitieve bijstelling om het fundament van eigenwaarde te beschermen.
- Sociale wezens: Absolute onafhankelijkheid is een illusie; mensen zijn structureel interdependent. Ouderen willen geen passief object van zorg of liefdadigheid zijn, maar een actieve component in de menselijke cyclus van geven en ontvangen. Dit vereist intergenerationeel contact, dat momenteel tekortschiet.
- Eindige wezens: De tijdsbeleving kantelt op latere leeftijd. Ouderen staan op een breed fundament van een lang verleden en kijken naar een kortere, maar nog altijd open toekomst. Cruciaal is de uitdijing van het heden. Vrij van de opjaag-cultuur van een competitieve economie ontstaat er in het heden ruimte voor rust, verdieping, nieuwe identiteitsontwikkeling en, in sommige gevallen, momenten van transcendentie.
Conclusie
Wanneer men ouderen vraagt een mensenleven visueel weer te geven, tekenen zij geen strakke piramide of trap, maar een dynamische, grillige lijn vol onverwachte wendingen. Ouder worden is een reis door onbekend gebied, zonder blauwdruk. De lezing sloot af met een fundamentele oproep: doorbreek de wederzijdse vooroordelen door het intergenerationele gesprek daadwerkelijk aan te gaan. Oud en jong moeten elkaar bevragen over hoe het in werkelijkheid is om in deze tijd in hun respectievelijke levensfases te verkeren.
Persoonlijke noot: Voor mij was het weer een waar genoegen om in het centrum van kennisontwikkeling plaats te mogen nemen voor dit doel. Ik ben er zelf wat wijzer van geworden en wellicht is er nog iemand die wat aan mijn blog heeft, al zie ik het meer als publiek gemaakte aantekeningen dan als bijzonder werkbaar studiemateriaal. En eerlijk: Ik heb ook geen tijd, of vaardigheid om alles op detailniveau te checken of debunken. Ik heb verslag gedaan met de aanname dat er te goeder trouw gepresenteerd en gehandeld is.




No comments yet