Twintig jaar NZa: waar de burger vastloopt

Verslag van het twintigjarig jubileum van de Nederlandse Zorgautoriteit op 1 oktober 2026. Met de presentatie van de burgerraadpleging 'Waar de burger vastloopt', het panelgesprek daarover met inwoners en overheidsorganisaties, de keynote van filosoof Rene ten Bos en het slotlied van Kiki Schippers.

Dit voelt onwerkelijk om dit te mogen beschrijven. Maar nu is er een verslag, een rapport met aanbevelingen tot stand gekomen met hulp van het burgerberaad. , Onder leiding van een serieus stel wetenschappers: voor hoge management lagen van VWS en de NZa zelf.

En mijn foto staat hier op pagina 50 - als het levende bewijs, dat ik ben door gegaan met deze strijd op het punt dat niemand dat nog van mij verwachtte.

https://puc.overheid.nl/nza/doc/PUC_827204_22/1/

*De rest van dit verslag is samengesteld door Wendy, de AI-assistent van PCPal, op basis van de geluidsopnamen, foto's en aantekeningen van 1 oktober 2026. Het geeft weer wat er die dag gezegd is. De beschouwing van Jelle zelf staat in de inleiding en in het slot.*

Twintig jaar, in één woord

De ochtend begon met een quiz. Twintig jaar Nederlandse Zorgautoriteit in één woord, vroeg de dagvoorzitter aan de zaal. Er kwam van alles terug: toezicht, regels, marktmeester, stelselhoeder, puzzelen. En: bijna volwassen.

Daarna de feiten. Het nieuwe zorgverzekeringsstelsel ging in op 1 januari 2006. De NZa werd officieel opgericht op 1 oktober van datzelfde jaar, negen maanden later. Dat werd vanaf het podium als bijna metaforisch bestempeld.

De organisatie ontstond uit een samenvoeging van het College Tarieven Gezondheidszorg en het College Toezicht Zorgverzekeringen. In de strategienota's van toen stond het woord "zorgmarkt". Dat woord gebruikt de NZa tegenwoordig niet meer. In 2006 bestond ook nog de no-claimregeling; het verplicht eigen risico kwam pas in 2008, en bedroeg toen 150 euro.

Zaal met groot scherm waarop een woordwolk staat bij de vraag: namens welke organisatie bent u hier vandaag?

*09.46 uur. De tweede vraag aan de zaal, 101 van de 111 aanwezigen antwoordden: namens welke organisatie bent u hier vandaag? Groot in beeld staan Zorginstituut Nederland, de NZa, het Radboudumc, Per Saldo en de Patiëntenfederatie. Kleiner, aan de randen: burgerforum, burgerpanel, burgers.*

Wat de NZa zelf zei

In het welkomstwoord werd de opdracht teruggebracht tot twee woorden: toegankelijkheid en betaalbaarheid. Daar is het belang van de inwoner in gevat, en daarvoor is de organisatie twintig jaar geleden opgericht.

Tegelijk werd de staat van het stelsel niet verbloemd. Het piept en kraakt. De werkdruk is hoog, het ziekteverzuim in de zorg is hoger dan ooit, wachttijden zijn op sommige plekken structureel te lang en de premie stijgt.

Er viel een zin die in een jubileumtoespraak opvalt: zorg kan mensen ook afhankelijk maken, en is lang niet altijd het goede antwoord op een hulpvraag. Zorg kan ook schade veroorzaken, zeker wanneer mensen verdwalen in een stelsel dat met veel maatwerk en goede bedoelingen is ingericht.

Uit de burgerraadpleging die diezelfde dag werd gepubliceerd, haalde de NZa één bevinding naar voren die er wat uitsprong: inwoners vinden solidariteit als waarde belangrijker dan keuzevrijheid.

De nieuwe strategie heet "Betekenisvol werken aan de zorg van morgen". Daarin is regelgeving niet langer de dominante route; er wordt gezocht naar samenwerking met andere domeinen, waaronder het sociaal domein.

Spreekster in het rood voor een scherm met een beeld van een opengewerkte cellenstructuur

*09.56 uur. Het welkomstwoord, voor hetzelfde cellenmotief dat ook op de omslag van het jubileumboekje staat.*

Het burgerpanel: waar de burger vastloopt

Het inhoudelijke hart van de dag was de sessie over de burgerraadpleging. Het rapport was die ochtend klaar, vers van de pers, en werd daar voor het eerst gepresenteerd.

Titelslide van het onderzoek Waar de burger vastloopt, met de namen van de onderzoekers

*11.17 uur. De titelslide. Het onderzoek is uitgevoerd door het Radboudumc in opdracht van de NZa, door dr. Maarten Jansen, dr. Danka Stuijver (huisarts) en prof. dr. Rob Baltussen.*

Waarom het er was

De directe aanleiding was het twintigjarig bestaan zelf. Terugkijken riep de vraag op of het belang van de inwoner er in die twintig jaar eigenlijk wel in terugkwam.

De achterliggende reden was urgenter. De middelen in de zorg staan onder druk, dus er moeten keuzes worden gemaakt terwijl personeel, tijd en geld beperkt zijn. Daardoor worden vragen over passende zorg, eerlijke toegang, eigen verantwoordelijkheid en informele hulp steeds scherper.

Het doel was niet om op te halen wát burgers vinden. Het doel was om te zien hoe ze redeneren, welke waarden ze daarbij gebruiken, en of hun oordeel verschuift wanneer ze erover doorpraten.

Hoe het is opgezet

Het onderzoek had twee delen.

Het eerste was een echt burgerforum: 24 deelnemers, verdeeld over twee hele weekenden. Ze kregen achtergrondinformatie, gingen in gesprek met experts en werkten vooral met casussen, concrete verhalen van een patiënt A of een patiënt B. Daarna moesten ze prioriteren en positie innemen.

Eén werkafspraak was bepalend. Deelnemers schreven hun antwoord altijd eerst individueel op, en pas daarna deelden ze het in de groep. Zo bleef zichtbaar wat iemand zelf vond voordat de groep eroverheen ging.

Het tweede deel was een online enquête, met ongeveer vijfhonderd respondenten per thema. Die mensen hadden de gesprekken niet gevoerd, maar kregen wel dezelfde stellingen als de forumdeelnemers aan het eind. Zo kon worden gezien of de patronen uit het forum breder gedragen worden.

De twee thema's waren mentale gezondheid en brede hulp daarbij, en ouderen die steeds langer thuis wonen.

De kernbevinding

Burgers lopen op twee manieren vast.

De eerste: de zorg of het stelsel sluit onvoldoende aan op wat mensen nodig hebben om veilig en verbonden te leven. Die behoeften reiken verder dan zorg alleen. Ze gaan over sociale verbinding, bestaanszekerheid, wonen, praktische hulp en ondersteuning van naasten.

De tweede: het stelsel komt zo versnipperd over dat de gevolgen daarvan bij de burger terechtkomen. Domeinen, loketten, regelingen, financieringsstromen. Mensen moeten zelf de weg vinden, en weten vaak niet waar wat te halen valt.

Mentale gezondheid

Mensen verwachten van de overheid een brede benadering, waarin het niet alleen over behandeling gaat maar ook over de samenhang met werk, school, schulden en eenzaamheid. De weg naar mentale steun wordt als onduidelijk ervaren.

Tegelijk verwachten ze een ondergrens: laagdrempelige steun is welkom, maar kan professionele zorg nooit vervangen, en die zorg moet er echt zijn wanneer het nodig is.

Over ongelijke toegang waren de deelnemers genuanceerder dan je zou verwachten. Extra keuze in de toegang tot mentale zorg vinden mensen aanvaardbaar, zolang het niet ten koste gaat van zorg die echt noodzakelijk is.

In de prioriteringsoefening kreeg iedereen tien stickers om te verdelen. Preventie kreeg de meeste. Professionele behandeling stond op twee.

Langer thuis wonen

Bij het tweede thema ging het vooral over andere woonvormen, dagelijkse praktische hulp, sociale contacten en veiligheid, plus duidelijke informatie en regie.

Mantelzorg werd gewaardeerd, maar met een scherpe grens. Bij lichte hulp vinden mensen het vanzelfsprekend. Zodra het om langdurige of medische handelingen gaat, wordt het snel problematisch. En zodra het een verplichtend karakter krijgt, zijn mensen er uitgesproken tegen.

Bij de stickers stonden hier andere woonvormen en praktische hulp thuis bovenaan. Zorg kwam lager uit dan bij het eerste thema.

Forum tegenover enquête

De vergelijking met de enquête is misschien wel het interessantste deel van het onderzoek.

De grote lijnen kwamen overeen. Maar de vijfhonderd respondenten die de gesprekken niet hadden gevoerd, waren terughoudender over extra keuzemogelijkheden en legden iets minder nadruk op preventie. Bij het tweede thema waren ze juist positiever over mantelzorg, en opnieuw terughoudender over meer keuze via eigen middelen.

Twee weekenden doorpraten verandert dus iets. Niet alles, en niet in één richting, maar het verschil is zichtbaar.

Wat het voor de NZa betekent

De onderzoekers vertaalden het naar drie punten voor de toezichthouder.

Interpreteer toegankelijkheid breder dan aanbod en wachttijden, en begin bij begrijpelijke informatie en duidelijkheid over waar je terecht kunt. Dat weegt extra zwaar voor mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden.

Verbreed het toezicht naar triage, een duidelijke route, overbrugging en tijdige opschaling.

Maak de zorgplicht en de regulering concreet: vindbaar, bereikbaar en organiseerbaar.

De zin waarmee de presentatie eindigde was van een van de deelnemers: het gaat niet over de burger, maar met de burger.

De binnenring

Na de presentatie werd de zaal in een binnen- en een buitenring gezet. In de binnenring zat Ellen namens de inwoners, met daaromheen vertegenwoordigers van wat die dag "team overheid" heette.

Aan de opzet zat een detail dat het thema onbedoeld illustreerde. Deelnemers kregen bij binnenkomst een gekleurd kaartje: blauw voor overheidspartijen, rood voor inwoners en burgers, geel voor de zorg, groen voor onderzoekers. Een praktische manier om te zien wie er aan tafel zit. Het veronderstelt alleen wel dat iedereen in één categorie past.

Het koor

Anneke opende het gesprek met een korte inleiding over de participatieladder, het model uit 1969 dat de treden van burgerbetrokkenheid beschrijft, van informeren tot meebeslissen. Het woord participatie beviel haar zelf niet; ze had liever samenwerken.

Daarna kwam de metafoor die de rest van de dag bleef terugkomen.

Stel je het nationale zorgbeleid voor als meerstemmige muziek. Dan zijn er tot op vandaag een paar solisten die er flink bovenuit komen: de economen, de bestuurskunde, de geneeskunde. De inwoners zijn in dat geheel misschien een achtergrondkoortje.

Haar vraag daarbij: als je samen een samenleving wil waarin mensen een betekenisvol leven kunnen hebben, zou je inwoners dan niet veel meer stem moeten geven? En niet alleen stem, maar ook invloed op de melodie en het tempo.

Wat de ring ervan maakte

Het gesprek ging over het ambitieniveau. Hoe hoog op die ladder wil je als overheidsorganisatie eigenlijk komen?

Van de ene kant kwam de nuchtere variant: weten wat er speelt is al waardevol, en inspraak en meedenken zijn goed te organiseren, maar meebeslissen bij elk besluit is niet werkbaar.

Het CAK bracht een voorbeeld in van hoe het dan wél werkt. Uit het dagelijkse klantcontact kwam het signaal over de opslag die mensen moesten betalen wanneer ze hun premie niet konden voldoen, een maatregel die armoede verergerde. Dat signaal is omhooggebracht, en het beleid is aangepast. De toevoeging die daarbij hoorde: medewerkers voeren niet graag beleid uit dat tegen hun gevoel ingaat.

De inspectie maakte een onderscheid dat scherp bleef hangen. Burgerperspectief is iets anders dan burgerparticipatie. Het eerste komt vanzelf binnen in elk onderzoek, omdat er altijd met cliënten wordt gesproken. Het tweede betekent dat je bepaalde groepen vraagt mee te doen, en dat vraagt om een andere vorm. In de gesloten jeugdzorg bleek dat jongeren zich niet veilig voelden om binnen die setting iets te zeggen. Samen met hen is toen een website gemaakt waar ze anoniem konden melden.

Eén waarschuwing kwam van een heel andere plek: de watersnood in Limburg. De grootste fout die daar in de uitvoering gemaakt is, was de belofte op de eerste dag dat alles goed zou komen. Wie vooraf niet scherp heeft wat er samen gedaan gaat worden, organiseert zijn eigen teleurstelling.

Uit de zaal kwam de kanttekening die het dichtst bij de kern zat: de burger bestaat niet. En er is een groep die zich überhaupt niet kan melden. Als je die niet apart bereikt, hoor je ze niet.

Een deelnemer die naast inwoner ook apotheker is, vatte de verhoudingen zo samen: beleidsmakers maken het beleid en kennen het, burgers kennen de praktijk, en de zorgprofessional zit ertussenin en ziet elke dag wat er gebeurt wanneer die twee niet op elkaar aansluiten.

Eerst patiënt worden

De scherpste observatie kwam van Danka Stuijver, de huisarts die aan het onderzoek meewerkte.

We zeggen dat de patiënt centraal staat, zei ze, terwijl de zorg heel ver van de burger af wordt georganiseerd. Je moet dus eerst patiënt worden om centraal te worden gesteld. Daarvóór heb je geen inspraak.

Ze haalde Els Borst aan: de zorg is van de burger en voor de burger, en niet van de instituties die haar organiseren. Daar zijn we volgens haar van weggedreven.

Haar voorstel was concreet. Op het moment dat er pijnlijke keuzes gemaakt moeten worden, keuzes die schuren, richt dan een panel van burgers op dat zich daarover kan buigen en laat dat meewegen.

Een andere deelnemer trok het breder: maak het systematisch. Niet elk vraagstuk vraagt om een burgerraadpleging, maar er zou een vaste route moeten zijn voor de vraagstukken die dat wel verdienen, met systematische opvolging, in plaats van elke keer opnieuw bedenken dat het leuk zou zijn.

Daartegenin werd ingebracht dat meebeslissen op landelijk niveau al een instituut heeft, en dat dat de Staten-Generaal is. De ruimte voor participatie zit volgens die redenering vooral in de regio: hoe je met zorgverleners spreekt, hoe zorg georganiseerd wordt, hoe je mantelzorg regelt. Daar werd verwezen naar woongemeenschappen waarin jonge gezinnen en ouderen voor elkaar zorgen.

Ellen

Het slotwoord was voor Ellen, die namens de deelnemers sprak en ook in het rapport wordt geciteerd.

Wat zij mooi vond was dat mensen uit alle lagen van de bevolking met elkaar in gesprek gingen over waar het schuurt, wanneer en waarom. Haar eigen voorbeeld ging over mantelzorg, waar veel mensen snel zeggen dat het best kan: zij vertelde dat ze er klaar mee was, omdat ze geen moeder meer was maar mantelmoeder was geworden.

Ze merkte op dat vrijwel elke zorgorganisatie een cliëntenraad heeft, wat op zichzelf goed is, maar dat het telkens opnieuw uitgevonden moet worden. Burgerpanels bij de overheid zouden daar iets aan kunnen doen.

Haar eigen geschiedenis maakte het persoonlijk. Ze zat op haar vijftiende in de gesloten jeugdzorg en sprak daar in 2008 al over met de toenmalige minister. Er werd niet naar die jongeren geluisterd. Inmiddels zijn er excuses gemaakt. Haar oordeel over hoe het sindsdien gaat was kort: we lijmen, we plakken er pleisters op en we praten erover. Er zou eerder geluisterd mogen worden.

Ze eindigde met het punt waar het volgens haar echt op vastloopt. Je kunt informeren wat je wil, maar als mensen niet kunnen lezen bereik je ze niet, en dan neemt de groep daarboven het over.

Haar grondgedachte, eerder op de dag: het is beter wanneer niet alleen mensen die ervoor gestudeerd hebben erover gaan, maar ook mensen die vanuit hun eigen ervaring durven te spreken. In haar woorden, over het vertellen van het eigen verhaal: dan komt het altijd binnen.

Wat de NZa toezegde

De afsluiting van de sessie was een toezegging. Er zijn teams op beide thema's gezet die er de komende periode inhoudelijk mee aan de slag gaan. In de voorbereiding bleek dat alle overheidsorganisaties hier ambitie op hebben en er dingen op doen, maar dat het nog te weinig bij elkaar wordt gelegd. Daar wordt in geïnvesteerd. En: het inwonerperspectief blijft de komende twintig jaar ook.

De keynote

Het plenaire programma had daarvoor een keynote van René ten Bos, hoogleraar filosofie in Nijmegen en sinds kort met emeritaat. Zijn verhaal had vier delen en liep uit op de vier stellingen voor de deelsessies.

Een spreker op het podium, achter hem een groot portret met de tekst Prof. dr. René ten Bos, keynote speaker

*10.13 uur. Prof. dr. René ten Bos, keynote speaker.*

Hij waarschuwde eerst voor wat hij het syndroom van de rottende restanten noemde: het Nederlandse zorgstelsel zit in de basis goed in elkaar, maar de weinige dingen die niet goed gaan eisen alle aandacht op.

Over gezondheid merkte hij op dat die vroeger vaker als een handelsartikel werd gezien en tegenwoordig meer als een goed. Zijn eigen definities waren mooier: leven in de stilte van de organen, of het vermogen om ziek te worden en daarvan te herstellen.

Zijn derde deel ging over de spanning tussen vertrouwen en controle. Vertrouwen betekent volgens hem niets anders dan dat je je openstelt voor een grotere bandbreedte aan mogelijke uitkomsten. Zijn voorbeeld was een kind dat 's avonds de deur uit gaat: je laat hem gaan, dat is vertrouwen, en ga je er op een afstandje achteraan fietsen, dan is dat controle en heb je bij de eerste blik over de schouder een relatiecrisis. Vertrouwen bestendigt relaties, controle ondermijnt ze. Daarbovenop kost controle geld in de vorm van transactiekosten.

Hij noemde ook de grens: bij het opstarten van een vliegtuig wil je procedures en checklists, geen vertrouwen.

Solidariteit noemde hij geen romantisch verlangen, maar een constatering van feitelijke afhankelijkheid van elkaar, die zich niet laat organiseren en niet laat afdwingen. Hij haalde Carl Schmitt aan: insluiting en uitsluiting zitten in het begrip ingebakken. En hij waarschuwde voor het woord "samen", dat vaak de juf in de klas is die zegt: kom Jantje, we gaan dit samen doen, terwijl Jantje thuis denkt dat hem gewoon verteld werd wat hij moest doen.

Het vierde deel ging over kunstmatige intelligentie, en daar opende hij mee te zeggen dat het woord een misnomer is. Wat daar gebeurt is niet zoiets als denken. Zijn voorstel voor een betere term was artificial imagination. Dat je in de interface "thinking" ziet staan, maakt het nog geen denken. Denken, zei hij, is vooral iets wat je óverkomt: over gezondheid denkt niemand na, tot er een pijntje komt of een diagnose.

Hij plaatste AI in dezelfde categorie als alle techniek: een pharmakon, het Griekse woord waar ook farmacologie in zit, dat medicijn en gif tegelijk betekent. Zijn voorbeeld was zijn telefoon, die zijn werk veel makkelijker heeft gemaakt en waar hij tegelijkertijd moe van is geworden.

Zijn scherpste beeld kwam van zijn oude leermeester. Een man komt 's nachts dronken thuis, laat zijn sleutel vallen en zoekt alleen in de lichtkring van de straatlantaarn, want daarbuiten ziet hij toch niets. Dat is wat techniek doet: ze maakt bepaalde dingen uitstekend zichtbaar, en de prijs is dat de rest onzichtbaar wordt.

Zijn zorgvoorbeeld: het ene ziekenhuis houdt na prostaatkankeroperaties tachtig procent patiënten met incontinentieklachten over, het andere vijftien, en wie die cijfers absoluut neemt verliest de leeftijd van de patiënten, de regio en de vraag wie er wel en niet geopereerd werd.

Hij was niet tegen het gebruik ervan. Hij noemde zichzelf voorstander van slim gebruik. Waar hij tegen is, is roekeloos gebruik en roekeloos vertrouwen.

Presentatieslide met het kopje Stellingen en daaronder vier stellingen over het zorgstelsel

*10.55 uur. De vier stellingen waarmee de keynote eindigde en de deelsessies begonnen.*

De vier stellingen luidden: moet het zorgstelsel op de schop, is het goed zoals het is, of kan het wel een verbouwing gebruiken? Een solidair zorgstelsel vraagt om ruimte om groepen inwoners ongelijk te mogen behandelen. Zorgverzekeraars moeten de onbetwiste regisseur van ons zorgstelsel worden. En: met AI en digitale technologie lossen we het personeelsvraagstuk in de zorg op.

Op die laatste gaf hij zelf alvast antwoord. AI kan heel veel dingen helpen oplossen, maar niet alle dingen.

Hij liet nog één onderscheid achter: je zorgen maken over het zorgstelsel is iets anders dan je zorgen maken over de zorg. Wie in de zorg werkt heeft andere rationaliteiten dan wie het stelsel moet bewaken, en die twee laten zich niet zomaar op één niveau brengen.

Het debat

De andere deelsessie koos de vorm van een lagerhuisdebat. Deelnemers moesten zich fysiek opstellen op een continuüm: is het stelsel goed zoals het is, moet het volledig anders, of moeten we optimaliseren?

De grote meerderheid koos optimaliseren. Dezelfde basis, met onderdelen die wel aangepast moeten worden.

De stelling over zorgverzekeraars als onbetwiste regisseur leverde het scherpste gesprek op. De zaal was er grotendeels tegen, maar in het gesprek daarna bleek de nuance: de rol van verzekeraars is op zich goed, als de randvoorwaarden anders worden ingevuld. Meer regionale focus, minder nadruk op concurrentie. Daarmee schoof het gezelschap richting het model van het zorgkantoor. Opmerkelijk detail: er zat precies één medewerker van een zorgverzekeraar in de zaal.

De rode draad die eruit werd getrokken: echt bouwen aan vertrouwen.

De stelling over AI kwam als laatste aan de beurt en moest in hoog tempo.

De afsluiting

Op de vraag of er over twintig jaar nog een Zorgautoriteit bestaat, kwam een helder antwoord: er zullen altijd zoveel fundamentele afhankelijkheden tussen mensen zijn dat er iets omheen gezet moet worden, anders gaat het echt mis. De vorm en de instrumenten veranderen, maar er blijft iets.

Over het betrekken van inwoners klonk de toon uit de sessie terug: niemand zegt dat je het niet moet doen, maar beheer de verwachtingen, want het is niet voor alles geschikt. Er is ook een parlement, en de ingewikkelde politieke keuzes liggen daar. Tegelijk zijn er veel mogelijkheden, zeker wanneer overheidsorganisaties hun ervaringen bij elkaar leggen, wat nu nog te weinig gebeurt.

En over de hoop dat het goed komt: alle geluiden in de samenleving zijn er, ook door de technologie, en je kunt niet meer doen alsof ze er niet zijn. Er zal dus een vorm gevonden moeten worden om er goed naar te luisteren.

Het lied

De dag werd afgesloten door zangeres Kiki Schippers, die tijdens de bijeenkomst meeschreef en er een lied van maakte.

Zangeres met gitaar achter een microfoon op het podium, voor een scherm met het NZa-logo

*12.24 uur. Het slotlied, diezelfde ochtend tijdens de bijeenkomst geschreven.*

Ze pakte een verspreking van die ochtend op. Iemand had "autorit" gestuurd in MentiMeter, in plaats van "autoriteit". Dat werd haar vertrekpunt: in de zorg moest dat dan wel de dodenrit zijn.

In het lied kwam de hele dag voorbij. Ziekenhuizen die kreunen en verzekeraars die om geld roepen. Niemand die verantwoordelijkheid wil en iedereen die bits doet. De vraag of er niet iemand was die de taken helder zag.

En één couplet ging precies over de vierde stelling:

Misschien kunnen we zorgverleners wegdoen voor AI. Maar burgers willen juist meer handen en meer menselijkheid. Ze mogen best wel meedoen. Dat heet solidariteit.

Het refrein bleef hangen tot in de lunchpauze: zorgen hier, zorgen daar, daar is een zorgmakelaar. En aan het eind: wie brengt ons toch bij elkaar, de NZa, al twintig jaar.

Het jubileumboekje De toekomst van onze zorg, op schoot gefotografeerd

*13.37 uur. Het jubileumboekje mee naar huis: twintig jaar zorgstelsel en NZa door de ogen van bestuurders, professionals, beleidsmakers, patiëntvertegenwoordigers en inwoners.*

Persoonlijk Naschrift:

Weet je,

Ik denk dat jullie mij wel gehoord hebben, nu ik alles op een rijtje kan zetten, wat ik gisteren gehoord heb in Utrecht, en met wat ik in het rapport lees.

Na 25 jaar vechten tegen een systeem waarin ik alle reden had om aan te nemen dat ik niet gehoord werd, genegeerd, weggeduwd en gehinderd in mijn voornemens om een mooi ICT-bedrijf te mogen starten door lieden die niet verder dan hun diagnostische beperkingen konden kijken sinds 2001 al.

Ik was nog aan het 'overschreeuwen' alsof ik dáár weer was, waar het in 2001 ongeveer begon, met de muur van zorg waar niet tegenin te communiceren viel. 

Maar welbeschouwd kan ik nu concluderen dat voor mij die situatie nu in ieder geval totaal anders is geworden. En dat de tijden ook veranderd zijn. 

Ik ben nog de laatste restjes van het vergif van de "behandeling" aan het wegwerken, en dat zorgt af en toe voor stapjes 'tijdelijke regressie'. Aangezien alles wat me daaraan geholpen heeft nu op de terugweg nogmaals voorbij komt. 

Het mobiliseren van mensen tegen mijn doelen in, heb ik als vijandig geïnterpreteerd. Kun je mij dat kwalijk nemen?

Doe ermee wat je wil, als ik denk dat ik nog wat te piepen heb, kan ik dat tenslotte altijd nog op mijn blog gooien. 

---

*Voetnoot bij de weergave: dit verslag is gebaseerd op drie geluidsopnamen van 1 oktober 2026, op de foto's van die dag en op aantekeningen die dezelfde dag zijn gemaakt. De opnames zijn machinaal uitgeschreven en op plaatsen onvolledig of verhaspeld. Alleen formuleringen die ondubbelzinnig terug te lezen waren, staan als citaat; het couplet uit het lied is daarvan een zo getrouw mogelijke weergave. De rest is dicht geparafraseerd. Namen van sprekers zijn alleen vermeld waar ze met zekerheid vast te stellen waren, en tijden zijn Amsterdamse tijd uit de bestandsnamen van de foto's.*

No comments yet